Welke invloed heeft de huidige samenleving op de autonomie in de kunst? Behoort autonomie definitief tot het verleden, of blijft zij van belang? En, zo ja, hoe ziet autonomie er tegenwoordig uit en waaraan ontleent zij haar relevantie? Een onderzoek van Micha Hamel samen met Sander van Maas, onderzoeker muziekwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam.

Micha Hamel en Sander van Maas lichten dit onderzoek toe. 


Kleine schok

Een kleine schok ging door de kunstwereld en de media toen Herman de Vries in 2015 werd uitgekozen om Nederland op de Biënnale van Venetië te vertegenwoordigen. Deze 83‐jarige kunstenaar was immers de absolute tegenpool van wat er gaande is in de hedendaagse maatschappij en haar kunst. Noch interdisciplinair, noch hybride, noch crossmediaal, noch publieksgericht leek hij op het eerste gezicht een contra‐figuur, een outsider in de meest letterlijke zin van het woord. Zijn werk is namelijk niet hip te noemen, niet acuut en ook niet eens 'retro', aangezien het geen herwaardering van iets vorigs ambieert. Afgezien van een holistisch‐ecologische ideologie, die zijn werk doorschijnt maar het niet definieert, kenmerkt zijn werk zich door twee eigenschappen. 

Ten eerste is er de volkomen eigen ruimte die zijn kunst inneemt, een artistieke ruimte die zo open is, dat het er niet eens toe doet of het kunst is of niet. Ten tweede is er de radicale versmelting van kunst en leven, die het particuliere met het universele in vitale verbinding met elkaar stelt. Deze twee hoofdkenmerken zorgen ervoor dat zijn werk een ongenaakbare kracht verkrijgt, juist omdat de eigen orde van zijn 'bestaansexpressie' zichzelf genoeg is. Zijn werk laat zich als levend oeuvre benaderen, maar maakt zich onvatbaar voor aan haar opgelegde ambities en interpretaties, en bovendien zonder zich op ontoegankelijkheid te laten voorstaan. 

Wat hier aan de hand is, is een kunstenaar die met zijn werk een eigenstandige en onontkenbare wereld midden in onze wereld heeft gezet, die niets anders van ons vraagt dan haar te onderkennen en er een eindje met haar mee op te leven, of niet. Een manifestatie van puur autonoom werk, met een eenvoud en een noblesse neergezet in een tijd die vraagt om toegankelijkheid, publiek draagvlak en verkoopbaarheid. Maar wat hier gebeurde is nog iets gecompliceerder, want de autonomie zoals we die kennen beriep zich altijd op het genie‐idee, op de waarheid van het hyperindividu, terwijl de kunst van herman de vries zich juist kenmerkt door juist het evaporeren van dit individu.

Ook is zijn werk geen voorbeeld van een doorwrochte techniek die een quasi‐levend werk voortbrengt, maar eerder van een gestaag oprukkende negatie van techniek. Kennelijk brengt hij met zijn moeilijk benaderbare kunstpraktijk een actuele vraag naar de oppervlakte, en brengt hij – nogal plotseling – een urgente vraag in: wat is en wat betekent autonomie in deze tijd? In debatten over kunst wordt vaak een beroep gedaan op concept van autonomie: de eigenstandigheid van het artistieke. Met name wanneer van de kunsten iets wordt gevraagd dat opgevat wordt als buiten het domein van de kunst liggend, groeit gemakkelijk het verzet in naam van de autonomie van de kunst. 


Autonomie versus publieke meerwaarde

Want, zo luidt de gedachte, alleen op basis van het eigene van de kunst en van de zelfrelatie die de kunst onderhoudt, zou een werkelijk zeggingsvolle artistieke ervaring mogelijk zijn ‐ zeggingsvol niet alleen binnen het domein van de kunst, maar ook voor anderen buiten de kunst die belang in haar stellen. Tegenover de verdediging van het idee van autonomie staat de toenemende politieke en beleidsmatige belangstelling voor heteronome kunstconcepten. De overheid is zich meer dan ooit bewust van de noodzaak om de rationaliteit van haar uitgaven te onderbouwen met feiten en cijfers die de bijdrage aan de publieke zaak aan het licht brengen. De publieke meerwaarde van kunst is mede om deze reden een urgent onderwerp geworden op de cultuurpolitieke agenda, en dat toont zich in het landschap van subsidieverlening. 

Het recente The Art of Impact programma van het Mondriaan Fonds is kenmerkend voor deze ontwikkeling. Het programma wil kunstprojecten stimuleren waarbij de meerwaarde voor de samenleving centraal staat. In een maatschappij waar het draagvlak voor kunstsubsidies onder druk staat, is het allicht nodig om te laten zien dat er behoefte bestaat aan kunst, en dan niet kunst die een vorm van verfijnd doch eveneens onverplichtend tijdverdrijf is, maar een kunst die ingrijpend en diep ervaarbaar is, zodoende zichtbaar wordt, zodoende als belangrijk wordt gezien, zodat er meerdimensionaal succes ontstaat. 

Dit programma bevestigt een bredere tendens van autonome naar een – in wezenlijke zin – toegepaste kunst, waarvan de (drempel‐)waarde van het artistieke wordt bepaald door haar effect op, en haar verknoping met, de maatschappij. Veelzeggend wordt door het programma niet in de letterlijke zin om 'werken' gevraagd, als wel om de relevantie van de connecties tussen een voor de (langere of kortere) gelegenheid ontworpen initiatief en de haar omringende werkelijkheid. Dat is nogal een overgang, en eentje die ook iets duidelijks zegt over de kunst die niet aan de inzendingscriteria voldoet. Minstens kunnen we stellen dat de zelfrelatie van het werk niet meer als belangrijkste indicator van haar bestaansrecht wordt gezien. Hoewel het niemand erg verbaast dat in een postreligieuze, postmoderne, postmetafysisiche en posthistorische samenleving de eeuwigheid als concept niet meer het onderscheidende richtpunt van de kunsten is, en er dringende behoefte leeft aan werken die zich aan het hier en nu verbinden, is het toch nodig om even stil te staan, en in kaart te brengen welke waarde‐overgang er hier nu eigenlijk wordt gemaakt, en of er wel voldoende reden is om met zijn allen de nieuwe weg van heteronomiteit in te slaan. 

Kennelijk bevinden wij ons in een maatschappelijke overgang waarin de hoogste bewindspersoon zich verbindt aan een kunstbegrip dat het concept 'toegepaste kunst' als kernwaarde munt, en daar bovendien veel bijval voor ontvangt. Is de autonomie van de kunst eindig gebleken? In zekere zin kunnen we zeggen dat in de radicaal en totaal bezette werkelijkheid van de neokapitalistische wensenvervulindustrie waar we deel van uit maken, we steeds meer moeite moeten doen om een leegte te vinden waarbinnen een werk ervaren of gedacht kan worden zonder dat haar innerlijke ruimte door informatietechnologie al voor ons gescript, vooruitgenomen of geanalyseerd is. Alle objecten en prikkels komen immers met intensieve overredingskracht op ons toe, dus het van de mens zich afkerende werk lijkt overbodig geworden. De crisis van de autonomie is daarom ook niet de schuld van iets, maar eerder een resultaat van de historische beweging – de Westerse burgersamenleving, met haar focus op het individu – die haar ruim twee eeuwen geleden baarde. Toch is het zo simpel nog niet. Een rondgang over de website van The Art of Impact leert ons dat de gesteunde kunstprojecten welzeker op een bepaald soort eigenstandigheid bogen, zij het – en nu wordt het interessant – binnen bepaalde grenzen, in zekere toepassingen of op een bepaalde manier versneden met oudere kunstideologieën. Ook elders in het kunstenveld laten concepten en praktijken van autonomie zich gelden, vaak in een nieuwe relatie met belangen die voorheen niet als kunst--‐eigen werden gezien. 

Tijd dus voor een onderzoek. 

 

Credits lead foto: Ada Nieuwendijk, Ensemble Octopus