Datum
01.04.2016

Barbara Visser sprak tijdens de inauguratie van de nieuwe leden op 1 april 2016 de jaarrede 'Aap, noot, kunst' uit.


AAP NOOT KUNST

Geachte aanwezigen,

Het is mij een groot genoegen u hier te ontvangen voor de installatie van dertien nieuwe leden van de Akademie van Kunsten van de KNAW. Voordat we hen de ruimte geven om zich middels een krachtig statement van maximaal vijf minuten aan u te presenteren, wil ik u kort vertellen waar wij op dit moment staan als Akademie, en vooral waar we naartoe willen.

Met mijn herverkiezing als voorzitter van de Akademie van Kunsten wil ik me graag inzetten om datgene wat wij in de twee jaar sinds de oprichting van de Akademie van Kunsten hebben opgezet, ook daadwerkelijk verder te ontwikkelen en zichtbaar te maken. Mijn grote dank aan de AVK-leden en het KNAW-bestuur voor het vertrouwen in de koers die het huidige bestuur van de Akademie van Kunsten heeft ingezet.

Ons doel is een bijdrage te leveren aan debatten over ontwikkelingen in de kunsten, en dat doen wij specifiek vanuit het perspectief van de maker. De komende jaren willen we gerichter ingaan op een aantal onderwerpen. Eén van die onderwerpen is de veranderende kunstpraktijk en hoe deze een substantiële rol kan krijgen in het lager en voortgezet onderwijs.

Dat de verbinding tussen kunst en wetenschap geen vanzelfsprekendheid is, blijkt uit de historie van dit instituut evenzeer als uit hedendaagse visies op het onderwijs van de toekomst, waarin “Taal & Cultuur” nog al te vaak los worden gezien van “Natuur & Technologie”. Tegelijkertijd is het besef doorgedrongen dat onderwijs niet alleen kennisoverdracht tot doel heeft: persoonsvorming en burgerschap staan hoog op de agenda, en een enkeling waagt het zelfs het negentiende-eeuwse begrip Bildung weer eens af te stoffen. Bildung en Verbeelding – in het onderwijs van de toekomst spelen de kunsten een cruciale rol.

Akademie van Kunsten-lid Arnon Grunberg verwoordde het als volgt:
           ‘Kennisoverdracht is een intieme aangelegenheid, een risicovolle aangelegenheid. Soms mislukt de overdracht; leerling en leraar lagen elkaar niet. Omdat wij ook op het gebied van onderwijs geen risico’s meer wensen te lopen, zijn wij kennisoverdracht, als ging het om medische of militaire operaties, van protocollen gaan voorzien. De leerling wordt voortdurend getest, zijn achterstand wordt in maanden uitgedrukt. Deze achterstand wordt met vereende krachten weggewerkt. Is dat gelukt beschouwen we het onderwijs als een succes. Het onderwijs is de fabriek, het kind is het kalf dat min of meer levend de fabriek ingaat en er als worst weer uitkomt.
[...]
Kunstonderwijs hoeft niet meer te zijn dan te leren dat het kind mag fantaseren zonder zelfcensuur, dus dat het bijvoorbeeld mag fantaseren om zijn ouders te doden, de poes te martelen en zijn zus of broer te ontkleden. Dat is wat kunst is: een vrijplaats waar fantasieën kunnen worden uitgeleefd, op onschadelijke wijze, waar wet en moraal tijdelijk niet gelden.’ (einde citaat)

Er is altijd iets dat in het spel van de kunst ontsnapt aan het juk van de ratio. De grote uitdaging voor de huidige vernieuwers van ons onderwijs – ik denk hier bijvoorbeeld aan ‘Ons Onderwijs 2032’ – is dan ook om binnen de kaders van de kennisvergaring een ruimte te creëren die diezelfde kaders direct ondermijnt.

De kunsten doen dit door andere perspectieven aan te reiken, een optie om je het onvoorstelbare voor te stellen. De angst voor het andere, het vreemde en ook de vreemdeling heeft geen rationele, maar een emotionele basis. Kunst gaat niet zoals veel mensen denken, over emotie, maar leert ons daar iets over.

            Hiermee zeg ik dat de kunst ook een ernstig spel is; in het spel van de kunst wordt het kind voorbereid op de ‘gevaren’ van de wereld. In de hippe terminologie van hedendaagse onderwijsvernieuwing wordt dit ‘het aanleren van 21st-century skills’ genoemd. Maar ondanks deze taalkundige noviteit is het een idee dat ook al in de negentiende eeuw bestond. Kunstenaars, antropologen, cultuurfilosofen, onder wie niet in de laatste plaats Friedrich Schiller, spraken over een esthetische opvoeding die de mens moest voorbereiden op het onverwachte, onverhoopte, onconventionele en – jazeker – soms zelfs het immorele. De kunsten bieden een ruimte aan gene zijde van de moraal waarin men zich op onbevangen wijze tot het onbekende maar ook tot het gevoegelijk bekende verhoudt.

Hoe paradoxaal het ook klinkt, de crux is dat Het belang van kunst in het onderwijs die van de kunsten zelf overstijgt: het uitgangspunt is nu eens niet de veronderstelling dat in ieder kind een kunstenaar schuilt – net zoals het even absurd is te denken in iedere kunstenaar een kind huist. Kunst in het onderwijs heeft dan ook niet tot doel de kunstenaar van morgen op te leiden. Het is een ruimte die niet noodzakelijk om de artistieke productie zelf draait, maar waarin alternatieve verbindingen tot stand worden gebracht. In alle denkbare vakken op school is verbeelding een manier om de aangeboden stof inzichtelijk te maken maar ook om haar context te geven: de dingen staan niet op zichzelf, maar verhouden zich tot elkaar, tot de leerling, tot onze geschiedenis. In dat spookachtige, door robots gedomineerde voorland van 2032 hebben we net als in elk ander tijdsgewricht, behoefte aan onafhankelijk denkende burgers.

Als we willen dat de leerling van nu een volwassene wordt die zonder angst voor het onbekende de wereld tegemoet treedt, dan kun je niet anders dan daar op school al mee te beginnen.

De Akademie van Kunsten zet daarom samen met de wetenschap in op een duidelijker verankering van de rol van kunst, creativiteit en een kritisch perspectief in de opzet van het onderwijs, waarbij ook de dagelijkse praktijk een grote rol speelt. Dus niet alleen visionaire studeerkamermodellen ontwikkelen, maar onze visie over de rol van kunst in de samenleving vertalen naar het onderwijs, en die ook toetsen aan de praktijk, met mensen uit die praktijk.

Een concreet voorbeeld is het project ‘Hallo Gedicht’ waarmee Anne Vegter als Dichter Des Vaderlands poëzie leest met leerling (en leraar!) en daarbij meteen uitlegt dat het niet over begrijpen gaat maar over wat een raadsel je kan brengen: zoals zij zegt: ‘De deur van de grot gaat dan op een kiertje. Een gedicht is een instrument waarmee je je blik op de wereld scherp kunt stellen. Het dwingt je tegelijk naar binnen en naar buiten te kijken. Daar heb je wat aan.’

En dan is er nog Luister!Oren, ik heb het al eerder beschreven: elke dag 1 minuut in de klas samen geconcentreerd luisteren naar een geluid van onbekende herkomst, en daar vervolgens over nadenken, en met elkaar fantaseren en discussiëren. Het kan bijna niet simpeler. De verbeelding wordt geprikkeld, de concentratie verhoogd en verbale vermogens uitgebreid, om het abstracte te beschrijven, en zo concreet te maken.

Dat is mooi, maar het prettige aan deze projecten is dat het kritisch bewustzijn waar het naar mijn idee uiteindelijk allemaal om draait, als bijvangst meekomt met het plezier. De ‘aardige, waardige en vaardige burgers van de toekomst’, waar men vandaag de dag zo graag over spreekt, zijn als het aan ons ligt geen meelopers maar mensen met fijn afgestelde antennes, geen reactionairen maar revolutionairen: en die zijn, zoals wij allen weten, tegelijkertijd bestrijders én verleiders. Aan hen geef ik nu graag het woord.

Barbara Visser, 1 april 2016

 

Credits lead foto: Vera van Horik